Tegen religieus onderwijs
Eind
februari verscheen het volgende
bericht
in de media. Een leerkracht werd aangenomen bij de Yavne-Benoth
Jeruzalem-school voor meisjes in Antwerpen. Bij haar aanwerving kreeg ze richtlijnen
mee over wat wel en niet in de les kon worden behandeld. Onderwerpen als
seksualiteit, politiek, voortplanting en evolutietheorie bleven taboe volgens
de leerkracht. Hierover deed ze melding bij de media. Indien het bericht waar zou
zijn, dan zijn de gegeven richtlijnen een inbreuk op de binnenlandse
onderwijseindtermen en op internationale verdragen. Minister van Onderwijs
Hilde Crevits vroeg de onderwijsinspectie daarom om de school door te lichten.
De reden is dat de school erkend is en dus overheidsgeld ontvangt. Die
subsidies kunnen vervallen als de school niet aan de eisen van de overheid voldoet.
De schooldirectie ontkende de aantijgingen, maar de school blijkt na inspectie
toch wel enige moeite te hebben met de genoemde onderwerpen.
De
kwestie is maar een klein deel van een veel bredere en langdurige discussie
over religie binnen het onderwijs en bij uitbreiding de publieke ruimte. Dat er
een spanningsveld bestaat tussen religieuze waarden en doctrines enerzijds en
onderwijs en wetgeving anderzijds is al langer bekend. Dat geldt voor zowel
België als Nederland, waar de positie van religieus onderwijs enigszins
uitzonderlijk is. Een klein overzicht van berichten over de discussie staat onderaan deze blogpost.
Cultuurhistorisch
gezien kunnen we niet om religie heen, en als zodanig verdient dit fenomeen een
vermelding in elke goede encyclopedie. Die behoort net als onderwijs neutraal
en representatief te zijn. Religie kan dus prima worden vermeld tijdens het
curriculum, met dien verstande dat het fenomeen een zakelijk studieobject is,
en geen referentiekader. Daar wringt het schoentje naar mijn mening. Religie
als referentiekader hoort wat mij betreft zuiver en alleen thuis in de
privésfeer, en niet daarbuiten, in het onderwijs en de politiek. Als inkadering
voor seksualiteit, politiek, gender, ethiek en wetenschap is ze niet nodig ter
vervanging van of aanvulling op logica en empirisch verworven kennis. Kinderen
binnen een religieuze gemeenschap groeien thuis al op met hun religie, en dat
hoeft niet voortgezet te worden in de wekelijkse lesuren. Scholen die verbonden
zijn met religies zijn naar mijn mening niet nodig en brengen risico’s met zich
mee door de wezenlijke eigenschappen van religie. Zoals het nu is, krijgt
religie echter een uitzonderingspositie, en onbewust krijgen leerlingen dit gegeven
als vanzelfsprekend mee.
Religie
bestaat als referentiekader en geniet in die hoedanigheid een
uitzonderingspositie. Deze situatie gaat gepaard met willekeur, geldverslindend
beleid en tegenstrijdigheid. Om religieus onderwijs mogelijk te maken en te
subsidiëren, is erkenning vereist. De huidige vormgeving van religieus
onderwijs is willekeurig, in die zin dat enkele religies erkend zijn, en andere
om de een of andere reden niet. Daar komt de vraag nog bij waar het eigenlijk
ophoudt. Wat mag nog gelden als religie? Het parodiërende Pastafarianisme, het omstreden Scientology? Tevens is de
situatie geldverslindend, omdat eenieder zijn religieuze onderwijs kan opeisen
indien de religie in kwestie erkend is. Voor godsdienstlessen moeten aparte specialisten
geselecteerd en als leerkrachten aangesteld worden, waarbij de schooldirecties
zelf onvoldoende een vinger in de pap hebben. In sommige gevallen gaat dit qua
tijd en energie ten koste van andere, waardevolle oefeningen, zoals Nederlandse
taallessen voor anderstalige nieuwkomers.
Religie
is als traditie inherent conservatief en selectief. Daardoor bestaat
voortdurend een selectiviteitsrisico binnen religieus onderwijs, waar religie vooral
een referentiekader is. Maurits vande Reyde relativeerde in 2016 in Knack: “Stel je voor: bij vakken geschiedenis,
Nederlands en esthetica eerst kiezen om vanuit materialistische, rationele dan
wel postmodernistische optiek te starten. Dat zou natuurlijk belachelijk eng
zijn.” Alleen daarom al geniet religie als referentiekader een
uitzonderingspositie. Dat is een gevolg van godsdienstvrijheid en het feit dat
religie diep verankerd zit in onze cultuur. We kennen echter al vrijheid van
meningsuiting en van vereniging, dus de vrijheid van godsdienst is redundant,
zoals betoogd door de filosoof Maarten Boudry in 2017 (zie zijn stuk in De Tijd). Afschaffing maakt dat een
beroep doen op de persoonlijke geloofsovertuiging niet langer een argument is,
bijvoorbeeld in discussies over onverdoofd slachten, het dragen van religieuze
symbolen in de klas, het krijgen van godsdienstonderwijs, het verbieden van het
homohuwelijk of abortus. Liever een inhoudelijke dialoog met rationele
onderbouwingen.
Religie
blijft niettemin geprivilegieerd. ‘De religieuze of levensbeschouwelijke
vrijheid kan dan ingeroepen worden om allerhande voorrechten af te dwingen’, is
de zorg van filosofe Alicja Gescinska in dit
artikel van De Morgen (2014). Die
mogelijkheid tot het vragen om uitzonderingen is in principe eindeloos en dus
onwenselijk. Zo laaien discussies ook telkens weer op, bijvoorbeeld over het al
dan niet verbieden van hoofddoeken in de klas (zie dit nieuwsbericht van 11 mei).
Hoofddeksels in het algemeen zijn meestal verboden, en daaruit zou moeten
volgen dat keppels en hoofddoeken dat ook zijn. En toch… In Nederland is bij orthodoxe
scholen soms zelfs sprake van ‘het ontslaan van homoseksuele docenten, het
verplichten van vrouwen om een rok te dragen en het uitsluiten van
andersdenkenden [weigeren van andersdenkende kinderen]’ (column van Rob Jetten
en Thijs Kleinpaste, zie
hier). Dit is uiteraard geen schering en inslag, maar het gaat om het
principe. Zo worden conservatisme en selectiviteit in de hand gewerkt, maar bij
uitbreiding mogelijk zelfs segregatie en intolerantie.
Een
weerwoord tegen het terugdringen van religie is dat religie als pijler voor ons waardestelsel onmisbaar is. Via religie zouden de broodnodige normen en
waarden worden bijgebracht. Als dat niet langer kan, is er geen God meer als
stabiele factor, en dan vreest men dat ‘anyything goes’. Voor het christendom
betekent dit twee punten. Ten eerste veronderstelt de gedachte dat de leidraad
voor een moreel correct leven te vinden is in de Bijbel. Ten tweede
veronderstelt men dat geen gezond alternatief denkbaar is.
Die
eerste implicatie is ten dele juist. In de Bijbel kan men inderdaad terecht
voor een antwoord op de vraag of je zachtmoedig hoort te zijn, je naasten dient
lief te hebben en of je iemand mag vermoorden. In diezelfde Bijbel staan echter
ook heel andere dingen. Dat God nagenoeg al het leven op aarde vernietigde
omdat enkele mensen ongehoorzaam waren, heette tweeduizend jaar lang
‘zondvloed’, maar in principe gaat het om massamoord. Dat de Joden door God een
land toegewezen kregen, had tot gevolg dat gebieden veroverd moesten worden, wat
gepaard ging met veel bloedvergieten. Door God gesanctioneerd. Men zou dit
overigens ook nog goddelijke vriendjespolitiek kunnen noemen. Tussen de
verhalen door schroomt God niet om hier en daar een mens te (laten) kwellen of
doden. Daarnaast zijn er geboden zoals het stenigen van homoseksuelen en
overspeligen, en uitspraken die problemen opleveren als het gaat om het
gelijkheidsbeginsel tussen man en vrouw. Men kan hiertegen aanvoeren dat de
oude regels inmiddels niet meer gelden, maar daarop zijn twee dingen aan te
merken. Allereerst betekent dit dat God zich heeft bedacht, en dat impliceert
dat hij niet perfect was/is. Een perfecte God verandert niet, terwijl een
imperfecte God geen zekerheid biedt. Ten tweede is er het simpele feit dat
gedane zaken (als je er althans in gelooft) zoals massamoord geen keer nemen.
Het tweede punt, over morele alternatieven, betekent een belediging voor
atheïsten. Die slaan niet massaal aan het moorden, verkrachten en plunderen.
Met eenvoudige noties als empathie en gelijkwaardigheid komen we blijkbaar al
een heel eind. Een flauwe toevoeging is dat doorheen de geschiedenis meer is
gemoord in naam van God dan in naam van iets anders. Daarvoor hoefte men
natuurlijk niet per se een beroep te doen op een heilige tekst. Het punt is wel
dat religie naast positieve effecten klaarblijkelijk ook veel narigheid
teweegbrengt.
Gescinska’s
vrees bij het terugdringen van religie met al haar symboliek uit de publieke
ruimte is dat we ‘een been amputeren om een ingegroeide teennagel te bestrijden’.
Bij een verbod op religieuze symbolen in bepaalde contexten vreest ze dat
uiteindelijk niets meer toegestaan is. Die redenering onderschrijf ik niet. De
inconsequentieproblemen blijven zo onbenoemd, en bovendien blijft religie gewoon
voortbestaan in de privésfeer. Willen we eenheidsworst, een samenleving waarin
iedereen hetzelfde denkt door veel te verbieden? Natuurlijk niet. Seculier
onderwijs heeft dat ook niet als doel. Om met Rob Jetten en Thijs Kleinpaste te
spreken: ‘Waar is de ruimte voor kinderen om zelf, stapje voor stapje, hun
eigen gedachtewereld uit te breiden en te toetsen aan de ideeën van anderen?’
Dat is de bedoeling. ‘Kiezen voor god kan pas als je ook niet kunt kiezen voor
god.’ Krijgen we dan onderwijs dat zich radicaal uitspreekt tégen religie? In
principe niet. Binnen het reguliere onderwijs wordt geen fel atheïstische
propaganda verkondigd. Het is eerder zo dat religie gewoon ongenoemd blijft en
fenomenen als zodanig worden beschreven zonder meer. Bij lessen over de
evolutie wordt bijvoorbeeld niet gepredikt dat God niet bestaat. Andersom biedt
godsdienstig onderwijs niet eenzelfde garantie, zoals ook nu blijkt uit de
berichten over de joodse school.
In
een opiniestuk
uit 2017 betoogt David Geens dat godsdienst een plaats verdient in het
onderwijs. Dat is juist, maar wel enkel als zakelijk beschreven fenomeen. Dan
schrijft hij: ‘Geloof wordt momenteel in een verdomhoekje gezet omdat er
fanatici zijn die de naam van hun god misbruiken voor doeleinden die weinig met
geloof te maken hebben. Dat duistere aspect van religie zullen we niet
uitroeien door het dood te zwijgen. We zouden integendeel als maatschappij
sterker staan als meer mensen geloof zien als iets wat het beste in ons naar
boven kan brengen.’ Op die manier is het dus geen zakelijke beschrijving, want
een religie als het christendom heeft zowel qua brontekst als qua instituut ook
een minder aangenaam kantje. Dan zwijgen we nog over de geschiedkundige,
narratieve en wetenschappelijke haken en ogen bij de Bijbeltekst. Religie kan naast
het slechtste inderdaad het beste in de mens naar boven brengen, maar voor dat
goede is religie geen noodzakelijke voorwaarde. Bovendien zitten we met een
incosequentie: lesgeven over als waarheid verkondigde stellingen die onbewezen,
onhistorisch en onwetenschappelijk zijn, betekent ook lesgeven over allerhande
mythen, sagen, legenden, sprookjes en pseudowetenschap. Anders geniet het
christendom weer een arbitraire voorkeurspositie, enkel en alleen op grond van
traditie.
De
conclusie van de door Crevits gevraagde inspectie is blijkens dit nieuwsbericht van 22 mei niet
echt positief en luidt dat de Joodse school ‘de eindtermen wel aan bod laat
komen maar dat die niet helemaal stroken met het joodse geloof.’ Dat is, zo
geformuleerd, een open deur intrappen. In 2011 was er al bericht (zie hier) dat bepaalde joodse scholen in Antwerpen niet aan de eisen voldoen door bijvoorbeeld schoolboeken te censureren. De evolutieleer combineert bijvoorbeeld
moeilijk met godsdienst. In mijn visie moet de overheid zo neutraal mogelijk
zijn, zodat willekeur, partijdigheid, vooringenomenheid, conservatisme en
dergelijke worden uitgesloten binnen de mate van het mogelijke. Het middel
hiertoe is, lijkt me, positivisme en relativering. Dat betekent afstand nemen
van de eigen cultuur, daarover kritisch durven nadenken, en vertrouwen op
empirisch onderzoek. Zo blijkt dat over de evolutietheorie weliswaar valt te
discussiëren, maar dat evolutie als zodanig een feit is. Een verschil tussen
religieuze en wetenschappelijke kennis is ook de modaliteit ervan: religieuze
kennis zou zekere kennis zijn, terwijl wetenschappelijke kennis dat in beginsel
niet is. Verifiëren en debatteren zijn fundamenten van de wetenschap, niet van
religie.
Die
wetenschappelijke methode beperkt zich in de 21e eeuw echter niet
tot academische kringen. In ruimere zin maakt ze deel uit van een denkwijze die
in de westerse samenleving in haar geheel gewaardeerd en gepropageerd wordt. Als
de overheid via het onderwijs van kinderen wereldburgers wil maken die efficiënt
kunnen meedoen in een rationalistische, verwetenschappelijkte samenleving waar
fact-checking, statistiek, kritisch denken, logica en argumentatie elementair
zijn (bijvoorbeeld voor politiek engagement), dan is het contradictoir om
onderwijs te subsidiëren dat in beginsel vertrekt vanuit onbewezen stellingen zijnde
waarheid en (letterlijk) antieke waarden. Dat, terwijl traditie an sich geen
argument is. Het kan best zijn dat X en Y in een antieke, heilige tekst staan, maar wat
dan nog? Reflecteren en inkaderen zijn nuttige softskills, en die op alles
willen toepassen behalve op de crucifix aan de muren van de katholieke klaslokalen
is inconsequent. Inconsequentheid veronderstelt willekeur en uitzonderingen.
Kort
gezegd, overheidsgelden besteden aan het in stand houden van religieus
onderwijs vind ik onredelijk. Dat is niet hetzelfde als zeggen dat lestijd voor
levensbeschouwing of filosofie zinloos is. Integendeel. Op de huidige manier
blijft religie echter voortbestaan als iets onaantastbaars en vanzelfsprekends
waar men zich zonder meer op kan beroepen in een maatschappelijk debat.
Onderwijs zou juist niet gekleurde brillen moeten opzetten, maar moeten
afzetten. Kinderen ontwikkelen thuis per definitie een bepaalde identiteit,
maar het onderwijs is de plaats bij uitstek om op gecontroleerde wijze andere
identiteiten te leren kennen en waarderen.
Zie aansluitend mijn stuk Opiniecultuur en het onderwijs: een sensibiliseringsproject om te durven twijfelen.
Zie aansluitend mijn stuk Opiniecultuur en het onderwijs: een sensibiliseringsproject om te durven twijfelen.
Een kleine impressie van teksten over de verhouding religie-onderwijs: dit artikel uit 2001, dit artikel uit de Volkskrant (2005), dit artikel uit de Trouw (2006), deze masterproef uit 2008 (UGent), deze column uit de Volkskrant (2009), dit opiniestuk uit de Trouw (2010), dit opiniestuk uit de Trouw (2016), dit artikel uit de Trouw (2016), dit beeldmateriaal uit Zondag met Lubach uit 2016, en dit artikel uit het Parool (2017).
Reacties
Een reactie posten