Beschouwingen over 'Het slot' van Franz Kafka
[Oude tekst]
In het Duitsland van 1935 zag een nog onvoltooid boek het
daglicht. Het werd postuum gedrukt, en in de volgende lange, slepende jaren zou
het meermalen met argusogen bekeken of zelfs verguisd worden. Dat, terwijl de
auteur zelf nauwelijks enige bekendheid genoot. Pas later, na de verwoestende
oorlog, kregen het boek en het overige oeuvre van de auteur meer bekendheid.
Het boek? Het slot. De auteur?
Niemand minder dan Franz Kafka, die pas jaren na zijn vroegtijdig overlijden
bekendheid verkreeg omdat men zijn werken interpreteerde als
sociaal-maatschappelijk kritische werken die niet alleen een vinger wezen naar
wantoestanden in de Oost-Europese bureaucratieën, maar ook verschijnselen leken
te voorspellen als het communisme of leken te zinspelen op het antisemitisme.
Het moet gezegd: in Kafka’s werk valt veel te lezen, te meer om zijn grote
abstractiegehalte en ongespecificeerdheid. Inmiddels wordt de Tsjechisch-Duitse
auteur gezien als één van de meest markante schrijvers van de twintigste eeuw, een
kopstuk van het modernisme. Het slot,
dat vreemde werk uit de jaren dertig, kan tezamen met Het proces en Amerika
gezien worden als het grootste werk van de man. Waar hebben we het echter
precies over? Wat is dan dat boek, en wat bevat het?
1.
Overzicht van het verhaal
Ergens op een onbekende datum komt een onbekende man na een
moeizame voettocht aan in een onbekend dorp, ergens in een onbekend land. Deze
bestemming ligt kennelijk ver verwijderd van de geboorteplaats van de vreemdeling,
die wij slechts leren kennen als K.
Niets meer en niets minder, gewoon een initiaal[1]. Wat we
nog te weten krijgen is dat zijn geboorteplaats een dorp is, en dat hij een
vrouw en een kind heeft, maar na deze spaarzame mededelingen gelezen te hebben,
rust de lezer voor de rest van het verhaal in diepe onwetendheid. K. arriveert
in een herberg, waar hij in een hoek op de vloer poogt te slapen. Niet veel
later wordt hij gewekt door een zekere Schwarzer, zoon van een onderslotvoogt,
die hem fijntjes mededeelt dat K. niet zomaar in het dorp mag verblijven indien
hij geen toestemming heeft van de grafelijke autoriteiten. Deze moeilijkheid
met de plaatselijke bureaucratie krijgt de lezer al direct op pagina 1
voorgeschoteld, en ze is slechts de eerste van een reeks onoverzichtelijke sociale
en ambtelijke moeilijkheden die voortduren tot aan het einde. Op de nare
autoritaire houding van Schwarzer heeft K. slechts droog te melden dat hij de
gevraagde landmeter is, en dat zijn helpers en materiaal spoedig zullen
arriveren. Daarop neemt de ambtenaar van lage rang meteen ter plaatse telefonisch
contact op met het slot, die op de berghelling boven het dicht opeen gepakte
dorp staat. Na aanvankelijke ontkenning en zelfs gesnauw wordt men in de
herberg teruggebeld, met de mededeling dat er inderdaad een landmeter gevraagd
is. K. kan blijven en wordt officieel van een slaapplaats en voedsel voorzien.
Wat daarna gebeurt is enerzijds heel simpel, anderzijds heel gecompliceerd en
slepend. Men kan het erop houden dat K. vanaf die avond niets anders doet dan
zich zien te handhaven in het dorp, waar hij argwanend bekeken wordt als een
onwetende onbekende, en waar hij tevergeefs dingen probeert te bewerkstelligen
door tevergeefs contact proberen op te nemen met de autoriteiten. Zijn
slaapplek in de herberg wordt hem na enige tijd ontzegd door de waardin, hij
krijgt plotsklaps een relatie met Frieda, een dienstmeid uit een tweede herberg,
het Herenhof. Voor zijn niet contractueel vastgelegde werk krijgt hij zomaar
twee onbekende en uitermate irritante assistenten toegewezen. Later verlaat
Frieda hem weer, nadat hij contact gekregen heeft met de pariafamilie van het
dorp, vreemd genoeg de familie van één van de weinigen in het dorp die intéger
lijken: Barnabas. De toegewezen assistenten verjaagt K. uiteindelijk, maar deze
intrigeren tegen hem, en eentje pikt Frieda in. Ondertussen had K. een baantje
gekregen als conciërge bij de plaatselijke school[2], maar de
urenlange dialogen en rompslomp weerhouden hem van nuttig werk. Als klap op de
arbeidsvuurpeil krijgt hij zelfs in een tweede ambtelijk schrijven te horen dat
men erg tevreden is over zijn werk als landmeter (terwijl hij nog niets van
dien aard heeft kunnen doen). Gaandeweg lijken het ambtelijke doolhof en de
dialogen met enkele dorpsbewoners die hij leert kennen de werkelijkheid steeds
meer te verduisteren. De ene spreekt de andere tegen, in ontvangen brieven
maken ambtenaren loze beloften (eigenlijk zeggen ze gewoon niets concreets),
dorpsbewoners leven volgens een rigide structuur die alleen een insider kan
begrijpen, en men koesteren angst. Men leest op bladzijde 47[3]
bijvoorbeeld dat de waard K. graag ter wille had willen zijn, ware het niet dat
de voorschriften strikt zijn en de slotheren uiterst gevoelig. De angst is niet
alleen voor het onbekende (dat is K.), maar ook voor het slot en zijn
ambtelijke machinerieën. K. lijkt in al die bevreemdende toestanden te
verdwalen, en wanneer het boek eindigt is hij letterlijk en figuurlijk verder
van huis dan ooit. Al zijn pogingen om concrete doelen (zoals erkenning) te
bereiken ten spijt, blijven zijn dagen gevuld met zinloosheid.
2.
Een eerste blik
Bij het lezen van het voorafgaande zou de vraag wel eens
kunnen rijzen waar het nu eigenlijk allemaal om gaat? Nu, dat is precies de
vraag die K. zich stelt, wanneer alles wat hij bereikt lijkt te hebben als los
zand weer tussen zijn vingers vandaan glipt, niemand betrouwbaar lijkt en de
autoriteiten als ongrijpbare onbevattelijke spoken schijnen. Wie alle
tevergeefse moeite op een rijtje zet, zal tot de conclusie moeten komen dat het
allemaal nergens om gaat. Nergens om. Totale zinloosheid is wat de bittere
waarheid lijkt te zijn wanneer al de pagina’s doorgeworsteld zijn en K. nog
steeds met lege handen staat, net als dat de autoriteiten in de praktijk
feitelijk niets concreets bewerkstelligen. Niets. Constant dienen zich tevens momenten
van ontnuchtering en desillusie aan, omdat de ene persoon iets uitgebreid
en zeer overtuigend uiteen weet te zetten, wat vele pagina’s verderop door de
volgende al even overtuigend ontkracht en zelfs omgedraaid wordt.
Zoals eerder gemeld, verkeert de lezer in een grote
onwetendheid omdat alles een onbepaald karakter behoudt. De stijl van Kafka is
dan ook niet gedetailleerd en psychologisch. Het geheel wordt nogal
onpersoonlijk opgediend. De enige persoonlijke details en uitvoerige
herinneringen over bijvoorbeeld K., vindt men alleen in de eerste hoofdstukken
terug (er zijn er 25 in totaal). De locaties worden relatief weinig beschreven,
en als dat al gebeurt, dan is dat op zo’n manier dat de lezer zich eenzaam
voelt. Het gros van het verhaal bestaat uit dialogen, zonder veel vermelde
omhaal, karaktertrekken, bewegingen of wat dan ook. Ja, de lezer is eenzaam, en
andere figuren worden soms ronduit aangeduid als ‘schimmig’. Dat het verhaal
zich in een bittere winter afspeelt met korte dagen voegt daar beslist geen
warmte aan toe. Net als K. is de lezer verdwaald in een letterlijk
ondoorgrondelijke omgeving waarvan werkelijkheid en schijn slechts tijdelijk te
onderscheiden zijn, om vervolgens van plaats te wisselen. Tevens verdwalen de
ogen van de lezer, wanneer hij naar de dicht op elkaar gepakte tekst kijkt, en
meestentijds zal hij tevergeefs zoeken naar inspringingen of witregels. Het
kleurloze karakter van het boek wordt bijgestaan door het feit dat halverwege
het verhaal bijna weinig anders meer gebeurt dan het aaneen rijgen van vele
ellenlange dialogen, die in wezen gewoon monologen zijn met slechts hier en
daar kortstondige interrupties. De lezer kan zich allicht identificeren met K. als
hij merkt dat het niet meevalt om de laatste pagina te halen. Tot zover lijkt
het verhaal weinig ‘natuurgetrouw’, en ook dat wordt nog versterkt doordat al
de personages in het boek op een zeer onnatuurlijke wijze met elkaar
communiceren. Men leest geen spreektaal, nee, men leest retorisch in elkaar
geknutselde volzinnen met vele inbeddingen en bijzinnen die soms hele alinea’s
kunnen vullen. Het gehele dorpsleven, ja, de hele plaatselijke werkelijkheid is
doordrenkt van ambtelijke secuurheid en bureaucratische koelte. Hetzelfde geldt
voor de manier waarop de dorpsbewoners met elkaar en met K. omgaan. K. voelt
zich door alle omstandigheden in zijn bestaan bedreigd en voelt zich een
nummer. De lezer kan niet anders dan zich in hem verplaatsen, aangezien het
gehele verhaal zich op zijn persoon richt. Al met al is het dus heel goed
mogelijk om de eigenschappen van de tekst zelf iconisch op te vatten: weinig
overzicht, koel, langdradig enzovoort.
3.
Achterliggende intenties
Naar de achterliggende intenties valt slechts te gissen, al
is men het er over het algemeen over eens dat Het slot vooral als een parodie te lezen dient te worden. Kafka
heeft nauwelijks iets aan zijn tekst meegegeven. Een titel had het
oorspronkelijk niet, en ook zijn bijvoorbeeld de hoofdstukken 16, 21, 22, 23,
24 en 25 titelloos (of dit misschien ook iconisch opgevat moet worden weet ik
niet). Zoals gezegd was het boek bij het overlijden van de auteur immers nog
onvoltooid, en het is dan ook niet verbazend dat de tekst stikt van vreemd
geplaatste komma’s, en dat het verhaal nota bene eindig mídden in een zin
(hoewel dat op zichzelf een niet onaantrekkelijk eindeffect bewerkstelligt). Max
Brod, Kafka’s eerste tekstbezorger en tevens een vriend, gaf het boek de titel
die het sindsdien behouden heeft. Hij gaf tevens een interessante interpretatie
aan het werk. Volgens hem was het verhaal een godsdienstige parabel die handelt over hoe men met religie omgaat.
Hierover heb ik verder niets gelezen, maar het mag opgemerkt worden dat de dorpsbewoners
het slot en de aldaar vertoevende ambtenarij als heilig beschouwen, en alle
opstandigheid en ongewone gedragingen van K. als heiligschennis veroordelen.
Toch kies ik voor het nader uiteen zetten van een andere interpretatie,
namelijk die van de politieke parodie.
Het slot is eigenlijk geen echt slot, maar een bijeen
geraapte cluster van kantoorgebouwen en schrijfhallen. Toepasselijk torent het hoog boven het dorp uit. Wanneer K. op de eerste dag dat slot
probeert te bereiken, lijkt de voor de hand liggende weg steeds verder van het
slot weg te leiden. Later wordt duidelijk dat niemand naar het slot toe mag, behalve
op expliciet verzoek. Slechts de ambtenarij kent de weg, wat ook geldt voor de
vele bodes, maar die laatste komen niettemin nooit verder dan voorvertrekken
van de diverse kantoorpanden. Halverwege het verhaal blijkt vreemd genoeg dat
er verscheidene wegen zijn die naar de ingang zouden moeten leiden, maar dat de
ambtenaren in hun koetsen altijd verschillende routes nemen, zodat niemand ze
ergens kan opwachten en aanspreken. Soms wijzigen de hoofdroutes zich zelfs
meermalen per dag. Hoe het ook zij, de politieke macht is ontoegankelijk voor
het gewone volk, laat staan voor een vreemdeling. Het slot, dat in nevelen
gehulde bouwwerk, blijft een introverte en zelfgenoegzame wereld die met een onmenselijk
precieze nauwkeurigheid de dagelijkse routine afwerkt tot in het oneindige.
Hooggeplaatsten krijgt men nagenoeg nooit te zien, en wie een brief zend naar
een hoge ambtenaar, krijgt naar alle waarschijnlijkheid pas na jaren een
gedegen antwoord. De ambtenarij is onverbiddelijk, koel en secuur, maar ze
zuivert ook het menselijke uit zichzelf weg, aangezien de slotheren dag en
nacht niets anders doen dan werken. Dit is ook het beeld dat voortdurend
geschetst en in stand gehouden wordt door de dorpsbewoners die K. tegenkomt.
Paradoxaal genoeg moet echter opgemerkt worden dat de spaarzame momenten waarop
K. daadwerkelijk in aanraking komt met de slotheren, zij helemaal niet
kwaadwillig blijken te zijn. Op Schwarzer en de schoolmeester na, zijn de
burgemeester, ambtenaar Klamm (de grote man in het dorp), Erlanger en Bürgel
beslist niet vreemder, onvriendelijker, onbetrouwbaarder, asocialer of
kwaadwilliger dan de dorpsbewoners. Sterker nog, de twee (nietszeggende)
brieven die K. van de verder onbereikbare Klamm ontvangt zijn vriendelijk, de
burgemeester is zeer goedwillig (de snibbige schoolmeester luistert gelukkig
naar hem), en zelfs Bürgel is de vriendelijkheid zelve, ondanks dat hij
onaangekondigd uit zijn slaap gehaald wordt door een verdwaalde en zeer
vermoeide K. Dit paradoxale karakter zal ik later nog bespreken.
Niettemin is en blijft het zo dat de ambtenarij het leven
beheerst en controleert. Als zij stelt dat iemand niet bestaat, dan bestaat
diegene niet, en het is deze tang die K. wel degelijk voelt. Hij voelt zich dan
ook weinig serieus genomen als hij na al zijn moeite nog steeds geen werk heeft.
Maar deze tang heeft reeds eerder in de dorpsgeschiedenis een compleet gezin
omsloten, namelijk de eerdergenoemde familie van Barnabas. Deze geschiedenis
laat ik verder ongenoemd, maar het is een bizar gegeven dat zij verstoten zijn
nadat de oudste dochter een vinnige ambtenaar beledigde met een afwijzing. Het
is niet dat er sancties volgden, integendeel. Er volgde helemaal niets. Het is
echter de angst voor de almachtige overheid die maakt dat de dorpsbewoners al
hun contact met de familie verbreken. Er gebeurt niets, en dat maakt het des te
erger; men wordt doodgezwegen.
Een parodie op de verstikkende overheidsorganisatie en de
manier waarop zij met het volk omgaat. Voor die interpretatie valt iets te
zeggen. De staat hangt aan elkaar van papieren, en de wil van de autoriteit is
wet. Niettemin kan dit een motief zijn bínnen een andere duiding, namelijk die
van de droom. Het slot zou juist door
zijn paradoxale en onwerkelijke karakter prima als een droom gelezen kunnen
worden.
4.
Onbetrouwbaarheid
De meeste figuren die uitgebreid aan bod komen in het
verhaal lijken onbetrouwbaar te zijn. Alle personages lijken bedreven in de
retorica, en hoewel ze soms werkelijk langs de afgrond van de logica wandelen,
slagen ze er toch in de handelingen, gebeurtenissen en gedragingen van andere
personages in een geheel ander daglicht te stellen. Dit paradoxale karakter en
spel van waarheid en schijn werkt het hele boek door. Men verdraait feiten,
praat het kromme nog krommer, intrigeert, liegt of zwijgt juist angstvallig. Het
is echter níét zo dat K., de hoofdpersoon, wel helemaal eerlijk is.
Integendeel, ook zijn gedrag geeft te denken, en een enkele keer dreigt hij
zelfs ontmaskerd te worden door zijn partner Frieda, wanneer ze samen in het
schoolgebouw onderling praten.
Op bladzijde 11 lezen we K.’s gedachten:
‘K.
spitste zijn oren. Het slot had hem dus tot landmeter benoemd. Dat was
enerzijds ongunstig voor hem, want het maakte duidelijk dat ze in het slot al
het nodige over hem wisten, de krachtsverhoudingen hadden ingeschat en
glimlachend de strijd aangingen. Maar anderzijds was het ook gunstig, want het
bewees naar zijn mening dat ze hem onderschatten en dat hij meer vrijheid zou
hebben dan hij tevoren had mogen hopen. En als ze dachten hem door deze beslist
van superieure intelligentie getuigende erkenning van zijn landmeterschap
blijvend angst te kunnen aanjagen, vergisten ze zich (…).’
Willem Frederik Hermans oppert in een artikel dat K.
eigenlijk een landloper is, aangezien hij een lange moeizame voettocht gemaakt
heeft alvorens in het dorp aan te komen, terwijl hij alleen maar in zijn
kortstondige aanvaring met Schwarzer zegt dat hij assistenten met een wagen vol
instrumenten heeft die nog onderweg zijn. Dit gegeven is niet alleen vreemd,
maar tevens is het zo dat hierover nergens meer gewag gemaakt wordt in heel het
boek. Sterker nog, het slot stuurt hem onmiddellijk de volgende dag twee jonge
assistenten, die geen benul hebben van landmeten. K. heeft zich naar binnen
gebluft toen hij verkondigde ‘de landmeter’ te zijn, en het slot gaat hier op
in door het spel mee te spelen. Deze duiding vindt aansluiting bij het feit dat
verderop een personage vertelt dat de oververmoeide ambtenaren ’s avonds en ’s
nachts via de telefoon wel eens grappen uithalen (hoewel uitermate chagrijnig)
en er eigenlijk helemaal niet serieus met hen te praten valt. Het is dan ook zo
dat pas wanneer ze in de herberg teruggebeld worden door een zekere Fritz
vanuit het slot, ze pas te horen krijgen dat er inderdaad een landmeter zou
moeten komen. Ook reageert K. op blz. 27 op de twee nieuwe assistenten als
volgt: ‘Jullie zijn mijn oude assistenten, die ik na heb laten komen, die ik
verwacht?’ Enkele regels verder: ‘Maar als jullie mijn oude assistenten zijn,
moeten jullie daar toch iets van weten’. Oúde assistenten? Laten komen? En
waarom de vraag eigenlijk? Dergelijke regels roepen in herinnering dat men in Het slot evengoed ook met een droom te
doen kan hebben. Hoe dan ook, wanneer men de gemaakte veronderstelling
aanneemt, is het ook niet verwonderlijk dat K. zo weinig bereikt, al weten de
dorpsbewoners en lagere ambtenaren natuurlijk van niets, aangezien alle
beslissingen en kennis van zaken alleen binnen in het machtscentrum plaats hebben.
Men heeft eigenlijk helemaal geen landmeter nodig, maar de vraag is waarom een
zo dichtgespijkerde machinerie van de overheid een dergelijke anomalie
toestaat. Het kost tijd, energie en geld. Zelfs een willekeurige dorpsbewoner
zegt op blz. 21: ‘Wij hebben geen gasten nodig’. Burgers wantrouwen hem niet
alleen omdat gastvrijheid ongeoorloofd is en K. tegen de regels ingaat, maar
mogelijk ook omdat hij landmeter is, hetgeen herverdeling van het land tot
gevolg kan hebben.
K. is voorts nog onbetrouwbaar, omdat hij Frieda lijkt te
gebruiken. Hij toont aanvankelijk totaal geen interesse in haar, maar zodra hij
verneemt dat Frieda de partner is (hoewel dat later door een andere meid, Pepi,
uiteraard heftig in vraag gesteld wordt), verandert dat. Onmiddellijk krijgen
ze een relatie. Herinner hier nog het feit dat K. ergens een vrouw en kind
heeft. Niet alleen is K. een opportunist, maar blijkt ook Frieda niet integer.
Zij valt misschien te vergelijken met een soort groupie, eerzuchtig als ze is
en met de eerste de beste in zee lijkt te gaan. Nadat K. immers bij Barnabas en
de zijnen is geweest, is Frieda er definitief vandoor. Lees: ze is meegetrokken
door een, op dat moment juist door K. ontslagen, assistent, waarop ze meteen
haar liefde projecteert. De assistentes intrigeerden en leidden K. af van zijn
activiteiten, en Frieda waait met alle winden mee. Voortdurend blijkt dit,
terwijl K. simpelweg al zijn kansen op een beter bestaan aangrijpt, zelfs al
moet hij daarvoor vriendschap met een klein jongetje sluiten die iemand kent
die iemand kent…
5.
Paradox en illusie
Tegenover illusie staat werkelijkheid, en zoals gezegd
veranderen beide van positie. Net als bij de paradox is er een schijnbare
tegenstelling, want de tegenpolen verwisselen soms van plaats, en soms weet men
het gewoon niet. Deze antithetische relaties zitten overal in het boek. Enkele
voorbeelden uit de eerste hoofdstukken zijn bijvoorbeeld de onderstaande.
-
Blz.
11: hoewel aanvankelijk duidelijk te verstaan gegeven werd dat een landmeter
totaal onbekend was, wordt nu per telefoon verkondigd dat die mededeling een
vergissing was.
-
Blz.
15: wat aanvankelijk een slot leek te zijn, blijkt nader beschouwd een ‘heel
armzalig stadje’ van dorpse huizen.
-
Blz.
28: hoewel de overheid K. in zijn bestaan lijkt te bedreigen en mensen
behandelt als nummers, maakt K. zich hier ook schuldig aan. Hij zegt de twee
assistenten, Artur en Jeremias, als één man te gaan behandelen en allebei Artur
wil noemen.
-
Blz.
35: het heeft te denken dat de eerste brief van ambtenaar Klamm in eerste
instantie positief wordt opgevat, maar bij nadere lezing door een derde als
negatief wordt opgevat. Men leest bijvoorbeeld: ‘[De brief] was niet
consequent, er waren passages waar met [K.] gesproken werd als met een
onafhankelijk iemand wiens eigen wil werd erkend, dat gold voor de aanhef, dat
gold voor de passage over zijn wensen. Maar er waren ook passages waarin hij
openlijk of onuitgesproken als een nietige, vanuit de positie van die directeur
nauwelijks waarneembare arbeider werd behandeld, de direactuer moest zich
inspannen om “hem niet uit het oog te verliezen”’.
-
Blz.
43: K. ging er vanuit dat wanneer hij met Barnabas meeging, naar het slot
gebracht werd, hetgeen een weg omhóóg veronderstelt. Barnabas blijkt hem daar
echter helemaal niet heen te brengen, en ze moeten een trap omlaag. Ze komen
bij het huis van zijn familie aan.
Daarnaast bestaat er nog een zeer grote en alles
overheersende tegenstelling, en deze is natuurlijk die tussen het volk en de
autoriteiten. Beide lijken in een strikt hiërarchische structuur ingedeeld te
zijn. Alles wordt vanuit het slot gestuurd, en wanneer dat niet expliciet door
ambtelijke woorden en daden of via bodes en representanten (er zijn altijd
mensen die anderen representeren die anderen representeren) gebeurt, dan is het
wel impliciet door de geconditioneerde bevolking, zoals gebeurde bij de familie
van Barnabas. Nooit gebeurt er iets zonder dat het zo bedoeld is. Niets is
willekeurig, zoals de burgemeester op pagina 83 vertelt. De relatie tussen volk
en overheid is echter niet zo eenduidig als deze op het eerste gezicht mag
lijken. Integendeel. Zoals eerder al aangegeven, treft K. een rigide,
argwanende, overheidsverheerlijkende en overheidsvrezende bevolking aan die
alles doet om het de slotheren naar de zin te maken. Tegelijkertijd treffen we
voldoende overheidslieden aan die niet kwaadwillig lijken te zijn, maar vaak
zelfs het tegenovergestelde (hoewel niet altijd!). Nergens valt een ambtenaar
te zien konkelen en huichelen. Ze volgen juist een strikt protocol en kunnen
niet buiten die patronen denken. Wat wel duidelijk wordt, is dat zij bergen en
bergen papierwerk verzetten om het dorp draaiende te houden. De heer Erlanger besteed
bijvoorbeeld grote delen van zijn nachten om zélf gehoor te kunnen geven aan
alle hebbelijkheden van dorpsbewoners, louter uit goede wil. De woorden en
daden van de overheidslieden zelf worden nooit in het geding gesteld in de
dialogen van het boek. Het zijn altijd alleen de woorden van andere
dorpsbewoners, dus aan de functies en handelingen van de overheidslieden wordt
kennelijk niet getwijfeld. Zodoende doet de lezer dat ook niet.
Daar komt een ander gegeven bij. Klamm komt niet of
nauwelijks uit zijn kamer die hij tot zijn beschikking heeft in de tweede
herberg, het Herenhof (dat niet voor niets zo heet), maar vreemd genoeg zit er
in de deur van zijn kamer een klein gat waardoor anderen, dorpslieden, kunnen
kijken. Frieda laat K. bijvoorbeeld een ogenblik naar binnen staren om Klamm te
bekijken. De ene keer dat Klamm verder gezien wordt, is ’s avonds, wanneer hij
vermoed dat niemand toekijkt. Hij haast zich dan naar zijn koets die
klaarstaat, om terug te keren naar het slot. Veel later wordt door iemand
geopperd dat het juist Frieda was die Klamm onder de duim had, in plaats van
andersom. De macht van Klamm, die iedereen hoog in het vaandel heeft, blijkt overal
slechts formeel en nergens direct. In het laatste deel van het boek vertelt
Pepi voorts dat de slotheren die overnachten in het dorp, ‘s ochtends hun kamer
niet verlaten, omdat ze de bewoners niet onder ogen durven komen. Anderen
leiden hen af, terwijl ze verzot zijn op hun werk. De wegen naar het slot zijn
weliswaar obscuur, en de routes die de koetsen volgen veranderen voortdurend,
maar nergens valt dit direct in verband te brengen met onwil van de overheid.
In tegendeel, zoals blijkt bij o.a. Erlanger, en mogelijk uit het gegeven dat
de autoriteiten K. überhaupt toelaten. Men zou haast denken, dat de ambtenaren
zich zozeer inzetten voor het besturen van het land, dat ze oververmoeid worden
en geen energie meer overhouden voor het immer klagende, nieuwsgierige en
bemoeizuchtige volk. Het zijn de bewoners die de angst en de imponerende denkbeelden
verspreiden, nergens de ambtenaren zelf. Het is dan ook uiterst interessant om
op blz. 78 het volgende te lezen: ‘Nergens had K. de ambtelijke wereld en het
leven ooit zo vervlochten gezien als hier, zo vervlochten dat het soms wel leek
of de ambtelijke wereld en het leven van plaats hadden gewisseld. Wat betekende
bijv. de tot nog toe louter formele macht die Klamm uitoefende over K.’s
taakvervulling, vergeleken met de macht die Klamm daadwerkelijk had in K.’s
slaapkamer[4].’ De
autoriteiten gaan elke strijd uit de weg. Ze dreigen nergens. Daarvoor in de
plaats komt K. vooral in conflict met sommige dorpsbewoners, die zo hoog op
hebben van de heren. Het grafelijk bestuur laat K. overal in het dorp zijn gang
gaan en verplichten hem tot níéts, en het enige waar K. in verstrengeld raakt
is het gedoe met de bevolking.
6.
Slotopmerkingen
Dat het slot het absolute machtscentrum vertegenwoordigt is
weliswaar een zeer aannemelijke duiding, maar niet de enige. Daarvoor zijn de
verhoudingen en opmerkingen in het verhaal te ambivalent en genuanceerd. Evenzogoed
is het immers mogelijk dat juist dat obscure slot met zijn onzichtbare
werknemers en werkresultaten juist bestaat omdat de bevolking het nodig denkt
te hebben; evenzogoed is het immers mogelijk dat, door eerdergenoemde zaken,
juist de ambtenaren bang zijn voor de bevolking. Misschien bestaat de
verstikkende almacht van de autoriteiten alleen maar omdat het volk er massaal
in gelooft.
Al met al is het einde letterlijk en figuurlijk zoek. Alle
abstracte beschouwingen van K. over de gang van zaken helpen weinig bij het
zoeken van een houvast in de vreemde wereld waarin hij terecht is gekomen.
Nergens is noch voor K. noch voor de lezer een vluchtheuvel te vinden die
zekerheid en veiligheid biedt. Zelfs geen goedwillige burgemeester of een
aanvankelijk zo aanhankelijke Frieda. Het spel der paradoxen veegt alle grond
onder de voeten weg. Om een oxymoron te gebruiken die anachronistisch en
daarmee des te passender is: de tekst heeft iets van postmodern modernisme.
[1] Een dergelijke ongespecificeerdheid en anonimiteit treft men zeer veel
aan in Kafka’s werk.
[2] Omdat men in de praktijk
helemaal geen landmeter nodig blijkt te hebben. Waarom hij toch als landmeter
toegelaten wordt, moet nog blijken.
[3] De gelezen
en gebruikte editie is die van Willem van Tooren en Gerda Meijerink, Salamander
Klassiek, Querido, 2001.
[4] Daar is het juist de waardin
van de eerste herberg, die moeite heeft met K., omdat hij zo wezenlijk anders
omgaat met alle protocollen. Op die manier beledigt hij volgens haar anderen,
o.a. Klamm, van wie ze helemaal bezeten is.
Reacties
Een reactie posten